Alles

Minimalisme Verkopen

In de Netflixproductie Minimalism krijg je als kijker esthetisch verantwoorde beelden voorgeschoteld. Twee doorsnee witte Amerikaanse mannen, rond de dertig jaar oud, nemen de hoofdrol, als vertegenwoordigers van Minimalism—en dan heb ik het niet over de kunststroming, maar een product. Het idee: minder spullen is beter. Hoe meer spullen je hebt, hoe meer verantwoordelijkheden. Deze jongens hebben bijna al hun spullen weggedaan.

De makers laten nog een boel andere witte Amerikanen aan het woord die praten over hoe veel beter ze zich voelen nu ze afscheid hebben genomen van het idee dat ze meer moeten verdienen om gelukkig te worden. Ondertussen bekijk je bombastische timelapses van Times Square bij nacht, en zie je hoe honderden Amerikanen bij een uitverkoop een winkel bestormen, medewerkers onder de voet lopen, vechten voor een plasma-tv. We worden van jongs af aan opgevoed met het idee dat we spullen moeten bezitten om gelukkig te zijn, zo luidt het argument, maar daar worden we helemaal niet per se gelukkig van.

 

Het doet me denken aan Jake Kim, de langharige Koreaanse hostelbaas in Boedapest. Als uitbater van het legendarisch Our Place, vlak naast het Keleti station, zette hij nooit al zijn 14 bedden online. Zo hield hij plek over voor de toevallige reiziger die nog geen slaapplek had geregeld (lees: Paul). Een moderne romanticus die een appartement had omgebouwd tot hostel: nadat je twee donkere trappen in een oud complex, met zo’n grote binnenplaats in de schaduw van een complex waslijnennetwerk en buren die de hele dag het laatste nieuws heen en weer schreeuwen, was opgeklommen, stond je opeens in zijn kleine keukentje, met daarachter een woonkamer zonder ramen en met net genoeg plek voor een bank en een oude computer. Our Place had twee slaapkamers, een met 4 bedden en een met 10. Jakes eigen ruimte bestond uit een bed in de grotere slaapruimte. Ernaast stond een tafeltje met daarop een spiegel, rechts in de hoek een foto van the Dude. Onder een Boeddhabeeldje lagen zijn dagopbrengsten, in euro’s en het open zicht.

Tijdens een kroegentocht, voordat we hem kwijtraakten omdat hij steeds van kroeg naar kroeg rende, vertelde Jake dat hij vroeger dacht dat hij geluk had gehad dat hij een huis had kunnen kopen—maar nu besefte dat hij net een slak was, die zijn huis mee moest dragen. Hij realiseerde zich dat de verantwoordelijkheden hem meer hoofdpijn gaven dan dat ze hem gelukkig maakte. Hij is sindsdien uit Boedapest verdwenen.

Minimalism wordt geduid als documentary, maar voelt meer als een reclamespot van 70 minuten. De twee ontspulde boys zijn op een boekentour en je volgt ze terwijl ze praten voor lege en volle zalen of op radioshows, boeken tekenen en met fans praten—steeds met de catchphrase “I’m a hugger, man,” als ze iemands uitgestoken hand afslaan en een knuffel geven. In de camera vertellen ze hoe gelukkig ze zijn dat ze iets kunnen doen waar andere mensen gelukkiger van worden.

Tegelijk verkopen ze hun concept in een gelikt jasje, hun leven is hun reclame voor een product—namelijk hun levensstijl, en de bijbehorende boeken, podcasts, blogs. Ze vertellen de kijker dat ze iets moeten omarmen om gelukkig te worden. Hun product is een overtuiging, maar ze gebruiken dezelfde gelikte beelden en dezelfde hyperbolische uitspraken die in een smartphonereclame zouden passen. Misschien is het een noodzakelijk kwaad om door te dringen tot de afgestompte consument. Je bespeelt dezelfde zwaktes als de grote reclamemakers voor misschien wel het meest ingrijpende product ooit—een overtuiging.

Daarover gesproken—heeft er nog iemand behoefte aan een hoekbank?

Standard
Alles

Op zoek naar een plekje

Leiden in de zomer is een hele andere stad. De bevolking stroomt de terrasboten op, bezet elke vierkante meter gras van de weinige stadsparken. Iedereen banjert heen en weer door het aandoenlijke centrum. Het straatbeeld laat zich even niet door gebral, jasjes en ratelende fietsen domineren. Alle studenten die nog in de stad zijn zitten braaf weggemoffeld in de bibliotheek voor hun hertentamens te studeren. Tot halverwege augustus, wanneer voor de gewone Leienaren het eindsignaal van de zomer luidt.

Tijdens de El Cid worden alle nieuwe eerstejaars de stad binnengesleept, wagen ze zich voor het eerst in de donkere krochten van sociëteiten die een zomer lang zijn opgepoetst in de hoop de geur van oud bier te neutraliseren. Ouderejaars zijn een uithangbord voor de hedonistische potentie van de verenigingen, zorgen dat er altijd bier voorhanden is – en toveren wat later op de avond inschrijfformulieren tevoorschijn. De straten staan vol drinkende massa’s en overal klinkt muziek. Het deed me denken aan een feestje waar ik eerder deze zomer ben beland.

De vele bergen van Baskenland zorgen ervoor dat ook kleine dorpen een stedelijke uitstraling hebben – bijna alle gebouwen tellen vijf verdiepingen en staan aan smalle steegjes. Ook Ordizia, amper tienduizend inwoners, voelt als een stadje. De gemeenschap vierde de dag van haar beschermheilige met een feestje van een week, en ik was er per ongeluk ook. Elke avond stonden de straten zo vol met Ordizianen, uit heel Spanje afgereisd voor Santa Ana, dat je er niet doorheen kwam. Iedereen kwam de hele tijd bekenden tegen.

Verschillende mensen hebben mij de onderliggende sociale structuur uitgelegd: de cuadrilla. Net als schapenkaas en de onnavolgbare taal iets waaraan Basken graag hun nationale identiteit ontlenen. De cuadrilla is een vriendengroep die begint op de basisschool, en daarna nooit meer ophoudt. Je begint misschien met 20 leden, maar langzaamaan wordt de groep hechter, sommigen vallen af, en je blijft met een vaste bende over. Samen maak je de hel van de puberteit door en leer je een plek te vinden in je gemeenschap. En dan zie je elkaar jaarlijks op het feest van Santa Ana.

Zelf spreek ik niemand meer die ik voor 2007 heb leren kennen, een paar familieleden daargelaten, dus het principe verwondert me. Laida vergeleek haar cuadrilla met een familie – zelfs als je het niet met elkaar eens bent, kom je niet zomaar van elkaar af. Ze hebben elkaar volwassen zien worden, waren erbij toen ze voor het eerst verliefd werden, wijn dronken of eindexamens moesten halen. Het deed me denken aan groepsverbanden binnen studentenverenigingen, die ook allerhande beproevingen samen doorstaan. Vriendengroepen bestaan natuurlijk over heel de wereld, maar Laida denkt dat het woord cuadrilla alleen al er voor zorgt dat mensen gevoeliger zijn voor deze vriendengroep, en er meer aandacht aan besteden.

Maar wie toetreedt tot een gezelschap, hoort er nog niet bij. Inigo legde uit dat hij bij zijn basketbalteam vaker wissel zat dan hij wilde, omdat hij op latere leeftijd bij zijn cuadrilla was gekomen. Je moet een beetje afzien om erbij te horen, net als de eerstejaars na de El Cid. Vanaf mijn logeeradres in het centrum van Leiden zag ik drie jonge meisjes in legertopjes en donkerblauwe overals de scooters van oudere corpsleden schoonpoetsen. Af en toe kwam er eentje bijstaan, biertje in de hand, om specifieke aanwijzingen te geven. Ik weet nog steeds niet of het aanstootgevender is dat deze jongens achttienjarige bakvissen hun scooters laten schoonmaken, of dat er studenten in Leiden zijn die scooters hebben.

De conventionele wijsheid over ontgroeningen is dat ze leiden tot, naast onderdanigheid binnen de vereniging en onvoorziene sterfgevallen, een hechte band onder jaargenoten. De vereniging is een instituut waarbinnen iedereen een eigen plek heeft, waardoor de verhouding van individuele leden tot de buitenwereld onbelangrijk wordt. Het geniale inzicht van de cuadrilla is dat er al genoeg lijden in die buitenwereld is om een hechte band te scheppen. Je hoeft alleen maar te beseffen dat je het samen meemaakt.

Standard
Alles, Indonesië

Sloppenkijken

Vorige maand bij de tentoonstelling van de World Press Photo viel het me op dat met name de bloedende kindjes behoorlijk in trek zijn dit jaar. Foto’s en films die armoede op een ingrijpende manier weergeven zijn populair. Het intense lijden ontlokt aan het publiek gefronste wenkbrauwen, gegrom en subtiel knikkende hoofden, misschien een hand onder de kin. De toeschouwer staat even stil bij die ene scene en loopt dan weer door. Heb je je stukje wereldbewustzijn ook weer gehad.

Lopend door Jakartaanse sloppenwijken voelde ik me dan ook ongemakkelijk. Niet omdat ik als westerling met een nieuwe spiegelreflexcamera bang was beroofd te worden, of voor de ratten die zich steeds uit de voeten maakten als ze me zagen naderen. Aan de bewoners van de nauwe steegjes kon het ook niet liggen – zij begroetten me steeds uitbundig, vroegen hoe het ging, of ze een selfie met me mochten maken en of ik toevallig op zoek was naar een vrouw. Ik was veel eerder bang dat ik mezelf tegoed deed aan poverty porn, wat net als food porn, nature porn en hardcore porn probeert om je zintuigen te overladen met input die het dagelijkse overstijgt in zowel inhoud als intensiteit. Denk aan extreem scherpe foto’s van vermagerde kinderen met roofvogels op de achtergrond die door Unicef en Oxfam worden ingezet om donaties binnen te ploegen: bij de kijker maken ze een sterke emotie los waar je dan opeens iets mee moet.

Colouring

Mensen als mensen

Poverty porn vergroot de vervreemding tussen kijker en afgebeelde, en dankt haar entertainmentwaarde aan die kloof. Mensen met hele levens worden gereduceerd tot objecten die alleen interessant zijn omdat ze per ongeluk ratten als huisdieren hebben, en daarom wordt het mogelijk om hun lijden te consumeren als een vorm van vermaak. Het gevoel hebben dat we bewust zijn van alle armoe in de wereld valt daar ook onder: het is een vorm van zelfstimulatie en geruststelling waar we de ander voor gebruiken.

Deze gedachten werden er niet minder op toen een vriendelijke local zonder tanden mij naar de oude haven wees. Deze bleek niet te bestaan, of te zijn begraven onder het afval: het hele gebied was een vuilnisbelt. De vrouwen doorzochten vuilnis, vermoedelijk hopend op bruikbare spullen, de mannen bouwden huizen op afval. Een jongen speelde met een vuilniszakken vlieger. Ze waren nog steeds allemaal vriendelijk, onbezorgd en nieuwsgierig. Het was goed om te zien dat ze zich niet lieten kisten, en ik was gefascineerd door hun manier van leven. Ik zag ook een zekere pretentieuze schoonheid in het contrast tussen de houten huizengeraamtes op de voorgrond en de flats die een kilometer verderop met hijskranen werden opgezet, maar het herkennen daarvan rechtvaardigde mijn aanwezigheid niet: ik had hier niets te zoeken. Alsof ik in de kamer stond bij een zieke patient omdat ik het mooi vond om te kijken hoe iemand zijn dood leerde te accepteren, of opeens een antropoloog was die wetenschappelijke data kwam verzamelen. Ik was een toerist, en armoede was een attractie geworden.

Esther

Esther in haar woonkamer

Tegelijkertijd zou ik op tal van andere plekken net zo goed nieuwsgierig zijn om te zien hoe de mensen daar dan leven. Oude mannetjes die op plattelandsdorpspleintjes koffie drinken en sigaretten roken vind ik prachtig, of yogi’s die opscheppen over hun karma, of oma’s die de was doen – alleen leefde Esther, het vijftienjarige meisje dat me uitnodigde voor een kopje thee, toevallig in een mij totaal onbekende armoede. Maar dat maakt haar nog niet minder menselijk. Sterker nog, net als haar medesloppenwijkbewoners lijkt zij een stuk makkelijker contact te leggen dan veel anderen. In gebroken Engels (mijn Indonesisch reikt immers niet verder dan “hoe gaat het?”, “goed, met jou?” en de cijfers een tot en met tien) stond ze erop dat ik kwam schuilen voor de regen en vroeg ze of ik thee wilde. Eerst zat ik stilletjes in het woonkamertje van haar ouderlijk huis, tjokvol meubels en foto’s van familieleden, maar haar nieuwsgierige vragen braken door mijn onwennigheid heen. Al gauw wist ik van alles over haar familie, school en werk. Doordat we met elkaar praatten werd ik meer dan een rijke westerling en zij meer dan een vleesgeworden stereotype van armoede.

Standard
Alles, Indonesië

Shoppenwijk

Als ik kleren koop is dat bij de kringloop. Tussen de drollenvangers uit de garderobes van overleden dikke mannetjes hangt vaak wel een broek die ongeveer lang genoeg is, niet meer dan vijf euro kost, en niet gemaakt is van materiaal waarvan we onderhand hebben geleerd dat het giftig is. Ondanks wat mijn vrienden je zullen vertellen is dit niet uit fashionistische overwegingen, maar omdat ik gek word van kleren uitzoeken. De vorige keer dat ik me in een kledingwinkel begaf moest ik een week bijkomen van het steeds opnieuw uitproberen van verschillende modellen en maten, begeleid door stompzinnige beats die mijn opa zou beschrijven als onderbroekenmuziek. Na vijf winkels, 23 broeken en een platgedrukt broodje kaas uit de krochten van mijn rugtas krijg ik meestal een inzinking en heb ik min of meer een overzicht op het keuzeaanbod. Ik hanteer deze masorchistische methode omdat ik een vieze maximizer ben. Dat betekent dat ik altijd probeer om de best mogelijke keuze te maken. Ik kan dan de beste broek gaan kopen: meer dan 50% fair-trade katoen, ruime zakken, geen vale slijtvlekken op de voorkant, geschikte riemlussen, knoopgulp in plaats van rits, en natuurlijk niet te duur. Dit in tegenstelling tot satisficers, die bedenken wat hun minimale eisen zijn en vervolgens een product zoeken dat aan die eisen voldoet – zonder zich te bekommeren of er nog een beter alternatief is.

Mijn optimalisatiestrategie levert een hoop stress op, zoals uitgelegd door psycholoog Barry Schwartz. Omdat wij, maximalizerende consumenten, almaar meer keuzes voor onze kiezen krijgen, moeten we steeds meer voor- en nadelen in overweging nemen voordat we de beste strategie kunnen kiezen. Uit het onderzoek van Schwartz blijkt dat de gemiddelde consument niet gelukkiger, maar juist ongelukkiger wordt van een uitgebreidere selectie jams: product A is goedkoper, maar bevat meer suiker, product B heeft dan weer toegevoegde antioxidanten, maar eigenlijk vind ik de abrikoos van C het lekkerst, en D is fair-trade. Nooit is het een keer gewoon: “Hee, lekker, jam,” maar altijd: “Welke jam is het allerlekkerst en het gezondst en het eerlijkst en heeft het beste design in vergelijking met de prijs?” Weinig verwonderlijk dat satisficing uiteindelijk juist de optimale strategie blijkt. Vind je een jam lekker en goedkoop genoeg om op je brood te smeren? Gewoon kopen en lekker smikkelen!

Geen wonder dus dat ik graag mijn keuzemogelijkheden beperk door bij een kringloop een broek uit te zoeken. Maar soms is dat geen optie. Stel je bijvoorbeeld voor dat je in Jakarta bent. Kringlopen zijn nog niet overgenomen uit het Westen – te weinig hipsters. Je hebt je tas ingepakt nadat je een nacht hebt doorgehaald op je afscheidsfeest en hebt daardoor per ongeluk precies één broek meegenomen (en dat alleen omdat je anders het vliegtuig niet inkwam). Omdat je met 35 graden celsius en 80% luchtvochtigheid af en toe een wasje moet draaien, besluit je naar Tanah Abang te gaan, de lokale kledingmarkt. Alleen is de markt een wijk ter grote van het centrum van een middelgrote Nederlandse stad. Eerst stuit je op Grand Indonesia Shopping Town, een winkelcentrum van 640000m2 en acht verdiepingen met alle Westerse winkels die je maar kunt bedenken. Maar de H&M kun je ook in Nederland opzoeken. Iets verderop kom je Thamrin City tegen, een soort ghetto-Grand Indonesia: de winkeltjes zijn klein, je kunt er afdingen en het gebouw is kleiner – met een oppervlakte van maar 260000m2 en slechts vijf verdiepingen is dit een peulenschil. Elke twaalf vierkante meter wordt uitgebaat door een andere verkoper met dezelfde kleren, maar dan net iets anders. Als je vervolgens Thamrin City uitgaat, loop je tegen de minimalls aan, allemaal aftands. De gangen bestaan uit kapotte tegels, het ruikt er naar afval, urine en vers eten, en de winkeltjes zijn weer net iets kleiner en goedkoper. De kleren zijn weer op dezelfde manier anders en op de een of andere manier hetzelfde. Op weg naar het treinstation kom je tenslotte door de sloppenmarkt, waar de kleren nu onder zeilen worden verkocht, vanuit geïmproviseerde stalletjes. De gangetjes zijn een halve meter breed en je loopt constant met je neus door de batik shirts en neppe merkkleding. Na drie uur dwalen door winkelcentra en sloppenwijken zag ik geen kleren meer, alleen maar een waas van kleuren. Ik wist niet meer waar ik was, wat voor broek ik zocht of hoe ik heette.

dsc_0104

Gezellig weekje shoppen in Tanah Abang

Het is uitgesloten dat de doorsnee Jakartaan een maximizer is – daar zijn de mensen veel te blij en gelukkig voor. Een maximizer in Tanah Abang raakt zichzelf onherroepelijk kwijt in de oneindige keuzemogelijkheden, want een gedegen vergelijking is hoegenaamd onmogelijk. Overleven is uitgesloten als je niet leert te satisficen: vind je een broek leuk en betaalbaar? Bespaar jezelf de verdere zoektocht die letterlijk de rest van je leven zou kunnen duren en ga over tot aanschaf.

Een ruim keuzeaanbod leidt tot een ongelukkige consument. Maar een oneindig keuzeaanbod is therapie voor de maximizer. Door het onbegrensde aanbod loop ik tegen de grenzen van mijn consumentenstrategie aan, en word ik gedwongen genoegen te nemen met de eerste broek die goed genoeg is. De eerste dag keek ik mijn ogen uit, de tweede dag dwaalde ik doelloos rond. De derde dag nam ik me voor op zoek te gaan naar een acceptabele korte broek en content te zijn. Bij het eerste winkeltje heb ik er twee gevonden die perfect zijn: ze zijn gemaakt van oude drollenvangers uit China en zitten als gegoten.

Standard
Alles, Indonesië

Dagelijkse Rituelen

Als kind betekende geloven voor mij altijd saaie preken, harde banken en na drie kwartier een Mentos. Toen ik echt klein was ging ik tijdens de mis naar de Kinderkerk. In de parochie mochten we dan kleurplaten van bebaarde mannen die elkaar schaapjes gaven inkleuren en nog een kwartiertje praten over de dingen waar God boos van werd. In de Grotemensenkerk voert tussen de bedwelmende en mysterieuze wierook en het confiteor de boventoon. Op een intonatie waar een zombie het nog benauwd van krijgt leest iedereen uit zijn gerecycled papieren boekje de schuldbelijdenis voor:

Ik belijd voor de almachtige God, en voor u allen, dat ik gezondigd heb in woord en gedachte, in doen en laten,
door mijn schuld,
door mijn schuld, – en hier komt het absolute summum van zombieheid –

door mijn grote schuld.

Daarom smeek ik de heilige Maria […] en alle engelen en heiligen […] voor mij te bidden tot de Heer, onze God. Moge de almachtige God zich over ons ontfermen, onze zonden vergeven, en ons geleiden tot het eeuwig leven.

Als kind vond ik dit heel lastig: ik was altijd teringbraaf. De ene keer dat ik kattekwaad uithaalde was ik een week van streek. In mijn hoofd ging ik tijdens het confiteor maar op zoek naar dingen waarvan God misschien kon denken dat het zonden waren. Zelfs gedachten kunnen al zondig zijn – en die komen nou eenmaal op. Achteraf is het me duidelijk waarom dit zo’n deprimerend onderdeel van de mis is: het is bij voorbaat onmogelijk om je leven te leiden zoals het hoort, omdat je als mens bij je eerste adem al schuldig bent. Daarom moet je maar smeken naar de vergiffenis van meneer Omnipotens. En dan altijd de ontlading, bevrijding en opluchting als je de taaie hostievormige zegen Gods ontvangt.

Deze vorm van religie is enorm levensontkennend: de schuldbelijdenis veronderstelt dat je door te leven al iets verkeerd doet, daarom heeft iedereen wel iets te bekennen. En natuurlijk heb je iets te bekennen: alles wat leeft vernietigt zijn omgeving. Je eet dieren, planten – net als alle levende wezens vernietig je je omgeving om zelf te blijven bestaan. Vervolgens zwengel je de hele heiligenmikmak aan om een goed woordje voor je te doen opdat je misschien toch nog dat paradijs in mag, waarvan je geen idee hebt of het wel bestaat. Het is een klaarheldere ontkenning van je leven nu, ten behoeve van een paradijs waar je geen zicht op hebt, op smaak gebracht met allemaal mysterieuze geloofselementen – maagdelijke moeder gods, heilige drie-eenheid, meer wierook, het lichaam van Jezus dat op de een of andere manier in die kartonnen hostie zit. Je leven is volgens de kerk niets meer dan voorspel voor het hiernamaals, maar God is een speelse flirt met bindingsangst.

Happy Dancer

Kan religie dan niet gewoon leuk zijn?

Veertien jaar en talloze zonden later zit ik bij de Nasi Jinggo-kar van Woyan. Het is half tien en de meeste lokale eettentjes zijn dicht. Woyan is een oud, dun mannetje met een grijzige baard, bril en udeng. Hij verkoopt rijst met weinig maar extreem pittige saus, verpakt in bananenbladeren. Bonen, tofu en ei zijn optioneel. Veel mensen komen bij hem een hapje halen als ze klaar zijn met werken, dus hij is wat later open dan de meesten. Een goede maaltijd kost zestig cent. De eters pakken zelf hun eten en rekenen achteraf af. Net als zijn kar worden ze verlicht door een enkele tl-lamp van minstens 8000k. Woyan heeft een stapel rieten bakjes vast. Het zijn offers. In elk bakje zitten een paar decoratieve bloemen. Hij legt ze op verschillende plekken in en rond zijn kar, en pakt dan wierookstokjes die hij een voor een aansteekt en op de bloemstukjes balanceert. Ten slotte pakt hij een een gele bloem die hij tussen zijn ringvinger en pink klemt, door de lucht zwaait en dan even stil houdt. Daarna spettert hij een paar druppels water over de bloem heen en herhaalt het proces. Hij is erg geconcentreerd en lijkt zijn omgeving niet te merken. Het ritueel komt bijzonder meditatief over.

De familie waar ik verblijf legt ook elke ochtend offertjes neer. Een van de vrouwen des huizes is er dagelijks ruim een uur mee bezig. Rustig en minutieus prepareert ze precies honderd bakjes, elk keurig gevuld met rijst, kokosschaafsel, verschillende bloemen, sigaretten en wierook. Nadat zij ze neerlegt worden ze aangevreten door mieren en kippen, per ongeluk omvergereden door scooters en weggeveegd door schoonmakers. Maakt niet uit: als ze maar worden neergelegd. De functie van de offers zit in de preparatie ervan. Je wordt gedwongen om je tijd te nemen en zorgvuldig te zijn, alsof je een kleurplaat inkleurt. De offerpreparatie is een meditatie die ook nog eens een esthetisch resultaat heeft. Er is geen straf of schuld, alleen geduld.

Natuurlijk hebben ze hier ook nog andere religieuze rituelen. Zo zijn er op Bali meerdere watertempels, waar je in heilig water kan baden om gezegend te worden. Je stopt dan je hoofd onder een dozijn verschillende heilige waterspuwers. Bij een van de populairdere tempels, Pura Tirta Empul, stond er voor elke heilige een rij van zegeningbehoeftigen. Toeristen deden lekker mee terwijl ze deze rite de passage vastlegden met hun op selfiesticks gemonteerde waterdichte GoPros. Anderen bleven langs de kant staan om iedereen te filmen. Voor een financiële bijdrage kon je de gepaste kleding, een kleedhok en een kluisje huren. Het heilige ritueel was meer een attractie en ik kon er niet snel genoeg wegkomen. Gelukkig snapte een taxichauffeur mijn onvrede en verwees hij me graag door naar een andere tempel: Pura Mengening.

Mengening is slecht onderhouden. Oude mannetjes die geen Engels kunnen laten me naar binnen voor een donatie. De tempel ligt onderaan een flinke serie trappen. Na de eerste vijftig treden beland ik tussen antieke waterwerken waar het water doorheen klettert – ook hier alles overgroeid met mos. Het lijkt al jaren niet onderhouden. Door fonteintjes, langs watervalletjes en -baantjes stroomt het water met een rotvaart naar beneden. Enkele locals met handdoeken lopen langs. Er zijn inderdaad geen toeristen. Vijf kinderen van een jaar of acht krijgen les van een jonge geestelijke, verder hoor ik alleen maar water. Ik volg het geluid, daal almaar verder, loop onder bomen door van ruim dertig meter hoog, half in een oerwoud, naar beneden – tot ik uitkom bij twee kleine poelen. Een voor vrouwen, een voor mannen, iedereen in ondergoed. Daaronder stroomt het water weer verder, de jungle in, vrij om zelf een baan te kiezen. Een man met drie tanden nodigt me uit om mee te doen, en voordat ik het weet sta ik in mijn onderbroek in het water. De andere baders lachen. Het water dendert met geweld op mijn schouders en wast de plakkerige hitte van een dag brommeren van me af. De man zonder tanden geeft me zijn zeep. “After, you make offering,” zegt hij, wijzend op een altaartje dat tussen de twee baden staat.

Hidden Bathing

Zoek de baders!

Naderhand voel ik me schoon. Dit is een religieuze ervaring waar ik iets mee kan. Ik weet niets van de al of niet aanwezige goden, maar kan wel de tandeloze man met de zeep bedanken en in dankbaarheid voor het altaartje zitten. Ook als ik niet weet wie of wat ik dan aan het bedanken ben voor een mooie ervaring, zelfs als die voor de rest van de aanwezigen alledaags is. Er zijn in die kleine baden midden in de jungle geen schuldigen, geen zondaars. Niemand probeert zijn ticket naar de hemel veilig te stellen. Mensen zijn zich aan het wassen en nemen daarna een moment om dankbaar te zijn voor die mogelijkheid. Geen confiteor.

Als er rituelen zijn die heilig zijn, laten het dan mooie ervaringen zijn, onafhankelijk van hun symbolische waarde. Laat de waarde dan in de dagelijkse rituelen zitten.

Standard
Alles, Indonesië

Scooters als grondrecht

Indonesië is een streng land. De overheid houdt streng toezicht op het morele gedrag van haar burgers: op drugs vervoeren staat de doodstraf en grote delen van het internet zijn ontoegankelijk. Zo bezien is het slecht gesteld met de vrijheden van de Indonesiër. Maar hij heeft een niche buiten het bereik van de overheid, een klein stukje vrijheid dat minstens zo belangrijk is als het recht van de Amerikaan om een dozijn vuurwapens te bezitten, en die vrijheid begint bij de scooter. Wie mij langer dan een dag heeft gesproken weet doorgaans dat ik verregaande uitspraken omtrent scooterrijders niet schuw. Zeker in Nederland heb ik geen goed woord voor de brommeraar over. Als als fietser hoef je geen heuvels te trotseren en heb je fietspaden tot je beschikking, maar al gauw sta je vast achter een ronkende, stinkende, kankerverwekkende uitlaat omdat iemand te lui is om zichzelf voort te bewegen. Zelf heb ik nooit op een scooter gezeten, hoewel dat vroeger, in de bovenbouw van het Gemeentelijk Gymnasium te Hilversum, wel behoorlijk de norm was. Op Bali is het ook de norm, hoewel het hier om Honda’s en Scoopy’s gaat in plaats van Vespa’s. De scooter is het belangrijkste vervoersmiddel voor de Indonesiër. Het openbaar vervoer, dat overwegend bestaat uit bemos (minivans) is onmogelijk te begrijpen als local, laat staan als westerse bule, en is zowel trager als duurder dan een scooter. Daarbij komt dat de overheid brandstof subsidieert – tot 2015 vormde dat 13% van het nationale budget. Vorig jaar is dat iets verlaagd, en dankzij de wereldwijd dalende brandstofprijzen waren er voor het eerst geen massale demonstraties. In het verleden zijn er meerdere overheden gevallen omdat ze wilden korten op benzinesubsidies.

Ik heb rijdende winkels op scooters gezien, hele soepkeukens, families van vier, slapende kinderen tussen vader en moeder ingeklemd op de snelweg. Vaak laten ouders zich door hun tienjarige kind ergens heen rijden. De scooter is het Indonesische verkeer, maar transcendeert het ook: je kunt rechts inhalen, links inhalen, over stoepjes inhalen. Je slingert ermee door het verkeer als een dribbelende voetballer, staat altijd vooraan bij stoplichten. Je kunt overal parkeren en rijdt zonder problemen eenrichtingswegen in (behalve als je toerist bent, dan kan het een aanleiding vormen voor een kleine informele overeenkomst met de politie). De enige verantwoordelijkheid die jij hebt is wat er voor jou gebeurt. Wat er achter je gebeurt is de zorg van de mensen achter je, en achteruitkijkspiegels zijn om je helm aan te hangen bij het parkeren – als je die al gebruikt.

Het is niet aan mij om te zeggen dat Indonesiërs in het verkeer krankzinnig zijn, maar ik weet niet wat ze anders zouden doen als ze dat wel waren. Doorgetrokken lijnen zijn een theoretische constructie zonder betrekking op de realiteit. Inhalen in de bocht op een helling die zo steil is dat je al vijftig rijdt als je je remmen loslaat is de norm. Op een onverharde eenbaansweg. Met een kind achterop. En een hand aan het stuur en een tas in de andere.

Toch lijkt het allemaal goed te werken. Zonder regelgeving van bovenaf heerst er toch een zekere ordelijkheid. Het verkeer vergt de volledige aandacht: ik heb hier buiten een enkele suïcidale toerist nog niemand zien sms’en of bellen achter het stuur. Je rijdt zo hard als je je veilig bij voelt, en anders word je lekker ingehaald. Een keer toeteren betekent ‘hier ben ik’, twee keer toeteren is ‘ik kom je inhalen’. Benzine kost vijftig cent per liter bij de staatspompen van Pertamina, 65 c/l bij de kraampjes van verkopers die overal langs de weg staan. Als Nederlander kon ik dit gezondheidstechnisch onverantwoorde maar portemonneetechnisch gesproken uitstekende vervoersmiddel natuurlijk niet laten liggen. Op mijn oude Honda rijd ik zo zes a acht uur op een volle tank van twee liter. Best handig, want het is onmogelijk een bestemming te vinden zonder minstens een keer te verdwalen. De bewegwijzering is sporadisch en kaarten zijn uit den boze. Zelfs de plaatsnamen zijn arbitrair: soms noemden twee buren hun woonplaats totaal anders. Gelukkig zijn de locals altijd nieuwsgierig als er een reiziger om advies vraagt, en het is me meermaals overkomen dat er uit alle hoeken en gaten mensen kwamen om me op weg te helpen (meestal was het advies ‘ga door’ of ‘ga terug’).

In het verder strenge en conservatieve Indonesië is de scooter het symbool van mensenrechten als vrijheid, onafhankelijkheid, en maar ook anarchie. Met deze beperkte chaos tolereert de overheid de onbegrensde vrijheid van haar burgers – binnen een bepaald kader. Het bezit van een scooter is het equivalent van een wapenuitrusting in het oude Athene: je wordt zelfvoorzienend en kan een bijdrage leveren aan de samenleving, maar demonstreert ook een zekere doodsverachting. Geen wonder dat de bevolking massaal in oproer komt als dit laatste stukje overheidsbemoeienisloosheid ook maar enigszins in het gedrang komt. En als je zelf op een scooter zit merk je de kanker niet zo.

Standard
Alles, Indonesië

Lovina Nightlife

Na een scooterrit door de wolken van het Balinese achterland kwamen we aan in Lovina. Het was half negen en diep in de nacht. Die begint hier stipt om half zeven. Om negen uur hebben alle Balinezen ongeveer gegeten, begint het bedtijd te worden, en sluiten de warungs – kleine openluchtrestaurantjes, soms niet meer dan een kar, waar de lokale bevolking haar eten haalt. Daarna ben je overgeleverd aan restaurants gericht op buitenlanders, met bijbehorende prijzen. Die zijn er te over: Lovina is een toeristisch dorp aan de noordkust van het eiland, en dankt haar faam aan de dolfijnen die er dagelijks langszwemmen.

Satay Master

Nadat we onze dieselrossen hadden geparkeerd vonden we gelukkig nog een open warung, uitgebaat door man en vrouw. ‘s Nachts hebben deze eettentjes vaak, als vuurtorens die reizigers naar een veilige maaltijd leiden, een enkel fel tl-lampje dat over alles een hel wit licht werpt. In diverse studentenwoningen heb ik ook altijd onder dit soort lampen gekookt, maar daar waren ze altijd ‘ongezellig’, terwijl ze hier eerder sfeerverhogend lijken te werken. Hoe dat komt durf ik niet te zeggen. De man zorgde voor de sate: deze wordt gegrild boven houtskool. Vaak gebruiken straatkoks een waaier om de kolen op de stoken, maar deze man had er een ventilator op gericht, zodat de rooksignalen ons van veraf naar zijn eettentje leidden. Ik vroeg hem of ik een foto mocht maken. Hij leek eraan gewend, want zonder op te kijken gaf hij toestemming. Ondertussen waren twee vrouwen tientallen pepers in een pan aan het koken: verse sambal voor de komende dagen. Nadat we klaar waren met eten, zag ik de man afkoelen van een harde dag werken. Uitgeput zat hij onderuitgezakt in een stoel, de ventilator dit keer op zichzelf gericht.

Sambal Master

Na het eten maakte ik nog een korte strandwandeling. Op elke vijfde stoeptegel stond een mozaïek van een dolfijn. In een lege bar ging een bandje helemaal los op Indonesische covers van westerse popliedjes die over het strand galmden. Uit gewoonte enigszins op mijn hoede liep ik langs een groepje jongeren dat bij hun scooters aan het rondhangen was – in Nederland hadden ze zeker hangjongeren of scooterjeugd geheten. Een van hen vroeg me waar ik vandaan kwam, en begon direct over voetbal te praten. We raakten aan de praat. Eentje wilde leraar Engels worden, een ander, Marty, werkte negen maanden per jaar op een cruiseschip. Hij was misschien achttien jaar oud, had een lief gezicht, en sprak een klein mondje Engels. Marty was net terug aan wal en gebruikte zijn beperkte vocabulaire uitsluitend om uit te drukken hoe graag hij seks wilde hebben.

Terwijl ik verder over het strand liep kwam ik zowel locals als toeristen tegen, veelal in gedachten of intieme gesprekken verzonken. Het was rustig, donker en koel, en de branding van de zee was een goede afwisseling op de intensiteit van het overleven in het verkeer. Bij het standbeeld van Lovina, van een dolfijn, verkocht een man gefrituurde bananen. Mensen keken naar de zee of de sterren. Een jongen aan de rand van het pleintje speelde gitaar, terwijl drie meerstemmig meezongen. Ze hadden hun rug naar de rest van de mensen, waardoor hun muziek een bescheiden karakter had. In de verte, richting de branding, zag ik een groep mensen in stilte om een lamp heen staan. Terwijl ik er opaf liep, dacht ik dat het om een wake ging. Drie rijen mannen stonden, fel verlicht en respectvol, in stilte om iets op de grond heen. De cirkel had een diameter van twee of drie meter.

Gelukkig kon ik als nieuwsgierige Nederlander makkelijk over de hoofden van de toeschouwers heen kijken, en opeens veranderde de betekenis van de rituele cirkel: hier werd gegokt. Een naftalamp verlichtte alles: de geconcentreerde gezichten, het geld en alle gokparafanalia. Op de grond zaten drie jongens en twee mannen. Voor de jongens lag een dikke mat met misschien 72 vakjes, waarop de getallen een tot en met twaalf, in willekeurige ordening, allemaal zes keer aangegeven stonden. Daarnaast stonden twee manden, eentje uitpuilend met klein briefgeld. De ander puilde uit met groot briefgeld. De jongens hadden een zware bal vast, een soort kleine kanonskogel, en tegenover hen had een van de twee mannen een gele doek in de hand en een peuk in de mond. De ander zat voor een een tweede mat, waarop alle getallen aangegeven stonden. Vanuit de cirkel werd met haast onhoorbare toelichting opgerold briefgeld naar hem gegooid, dat hij dan op een bijbehorend cijfer plaatste. Na een minuut of twee legde de middelste jongen de bal aan de rand van het bord en gaf zachtjes een zet in diagonale richting. Terwijl de bal rolde nam de intensiteit van de inzetregen toe. Elk vakje had een kleine uitholling, zodat de bal een minuut lang over de mat leek te dobberen. Het publiek keek in stille concentratie toe. Het gokken was eerder een groepsmeditatie, en er heerste een rustgevende spanning. In het licht van de enkele naftalamp leken ze op karakters uit Renaissanceschilderijen, hun moeilijke gezichten vanuit één kant dramatisch opgelicht. Wanneer de bal eindelijk een vakje bereikte waar hij niet meer uit kon rollen, gooide de eerste man het gele doekje er tegenaan. De bal was aangekomen, en de winst werd uitgekeerd.

De tweede man pakte alle winnende briefjes en rolde de bijbehorende winst erin op. Vervolgens gooide hij ze schijnbaar willekeurig de cirkel in. Er was geen controle, geen registratie. Verkeerd uitgedeelde briefjes werden geweigerd of doorgegeven. Tijdens het half uur dat ik heb staan kijken heb ik één verliezer de gespannen zucht van de teleurgestelde voetbalfan horen slaken, verder behielden zelfs de winnaars van de dikste bundels flappen consequent hun decorum. In lijn met de gastvrijheid die ik van Balinezen gewend was werd ik uitgenodigd om mee te doen, een propje geld de cirkel in te gooien en me te voegen bij een van beide groepen – helaas had ik geen geld mee, en bleef ik een buitenstaander.

Standard